Recensies van mij


 

Giuseppe Ungaretti

De dood betaal je levend af
Over Giuseppe Ungaretti
Uit: NRC Handelsblad, 30 augustus 2002

Je groeit op aan de rand van een woestijn in Alexandrië, je gaat naar een Franse school, schudt de hand van de Griekse dichter Kaváfis, vertrekt naar Parijs waar je de boezemvriend wordt van Apollinaire en colleges loopt bij de filosoof Bergson. Ter meerdere glorie van een land dat je nog slechts vluchtig als toerist hebt bezocht, ga je in de loopgraven liggen en ziet hoe de modder zich vermengt met het bloed van je kameraden. Bijna tien jaar later begin je een openlijke flirt met het fascisme, om vier jaar nadien door het katholieke geloof te worden gegrepen. Je verlaat Rome en gaat Italiaanse letterkunde doceren aan de universiteit van São Paolo, in welke stad je negenjarig zoontje komt te overlijden. Je keert voorgoed terug naar Rome en maakt de bezetting van die stad mee aan het eind van de Tweede Wereldoorlog.

De vraag is: in hoeverre hebben bovenstaande biografische factoren bijgedragen aan het gegeven dat de persoon in kwestie - Giuseppe Ungaretti (1888-1970) - een wereldberoemd dichter is geworden, wellicht de meest toonaangevende vernieuwer van de Italiaanse poëzie in de twintigste eeuw? Er zijn critici die beweren dat alleen een Italiaan die op vreemde bodem het levenslicht zag, een buitenstaander, een kosmopoliet, een woestijnmens, een nomade - dat alleen zo iemand in staat was de Italiaanse dichtkunst op zijn grondvesten te laten schudden. Die hypothese lijkt alleszins plausibel, te meer wanneer men zich realiseert dat de jonge Ungaretti niet verstikt werd door de drempelvrees inboezemende Italiaanse poëtische traditie, en evenmin door de klassieke rigueur van Carducci en de retorische opulentie van D'Annunzio. Integendeel, de belevingwereld van de scholier werd gevoed door het Franse symbolisme (Mallarmé voorop): de magische en evocatieve kracht van het woord die ongekende werkelijkheden doet opdwarrelen, de muzikaliteit van het vers, het verzet tegen een starre metriek. Deze ingrediënten zijn onmiskenbaar terug te vinden in het oeuvre van Ungaretti, maar minstens zo beslissend is de kennismaking van de aspirant-dichter met de futuristen (Marinetti en de zijnen). Het is niet hun thematiek (cultus van de techniek en de oorlog, nationalisme) die hem boeit, maar wel hun syntactische anarchie, hun afkeer van interpunctie en adjectieven, hun associatieve werkwijze en het gebruik van analogie, klanknabootsingen en simultaneïsme.

Gewapend met deze invloeden meldde de ontheemde Italiaan zich aan het front van de Eerste Wereldoorlog om een vaderland te dienen dat hij uitsluitend uit de verte had beleefd, en om uiteindelijk tot de bevinding te komen dat hij, de nomade, alleen maar in zijn gedichten kon wonen. Want in de loopgraven begon hij losse fragmenten te noteren op de papiertjes waarin sigaretten of kogels gehuld waren. Op die wijze ontstond een van de meest baanbrekende bundels uit de geschiedenis van de Italiaanse dichtkunst, Il Porto Sepolto (1916; De Bedolven Haven), de kern van de dichtbundel Allegria di Naufragi (1919; Vrolijkheid van Schipbreuken), dat uiteindelijk zijn definitieve vorm kreeg in L'Allegria (1931).

Met L'Allegria verwierf Ungaretti wereldfaam, hoewel dit feit grotendeels voorbijging aan ons land. De dichter, die samen met Eugenio Montale, Salvatore Quasimodo en Umberto Saba tot de plejade van de 20ste-eeuwse Italiaanse poëzie behoort, is in Nederland slechts geëerd met verspreide publicaties en vertalingen. In die betreurenswaardige toestand is nu pas verandering gekomen met de uitgave De mooiste van Ungaretti, waarin 54 gedichten van Ungaretti in de brontaal zijn afgedrukt samen met de vertaling van Salvatore Cantore. Het leeuwendeel van de gedichten is afkomstig uit L'Allegria. Die keuze is meer dan terecht, want niet alleen betoont Ungaretti zich hier een begenadigd chroniqueur van het oorlogsleed en de verloren jeugd (de biografische kant), ook weet hij zijn zoektocht naar de wortels van het bestaan te verstrengelen met een fascinerend tasten naar de meest vitale vorm, het meest verpletterende en tegelijk meest iriserende woord. Die ambitie mondt uit in fragmentarische, uitgebeende poëzie, waarin elk gedicht een archipel is van 'uit de wanden van het hart weggesneden woorden', om te spreken met Ingeborg Bachmann, de Oostenrijkse dichteres-prozaïste die Ungaretti in het Duits vertaalde. Ungaretti zelf omschreef zijn poëtica in het gedicht 'Afscheid', dat tegelijkertijd de belichaming bij uitstek is van zijn werkwijze: 'Wanneer ik / hier in mijn zwijgen / een woord vind / is het uitgehouwen in mijn leven / als een afgrond.'

Het vers is gedemonteerd, hier heerst niet meer de traditionele weidsheid van de Italiaanse elflettergrepige verzen, maar versplintering, de techniek van de pauzen en een knoestige paradox: hoe nederiger en schaarser het woord, des te verder reikt de impact. Nog een voorbeeld van een gedicht ('Herinnering aan Afrika'): 'De zon overmant de stad // Je ziet niets meer // Niet eens de graven verzetten zich langer'. Terecht oppert Dina Aristodemo in de voortreffelijke inleiding van De mooiste van Ungaretti dat sommige gedichten van L'Allegria doen denken aan een haiku. De tot een sober en expressief lexicon afgeschuurde gedichten gonzen van analogieën en betekenisvolle pauzes en zijn tegelijk doorstraald van een diepe menselijkheid. Ungaretti's bekommernis ligt bij de gedeemoedigde mens, die door oorlog, eenzaamheid, twijfel en het besef van de vergankelijkheid van alles ernstig wordt beproefd: 'De dood / betaal je / levend af' (uit 'Ik ben een schepsel'). Maar deze houding leidt niet tot een omarming van de ontgoocheling; integendeel: ze maakt van de dichter juist een vitalist die onafgebroken blijft zoeken naar een houvast: 'Ungaretti / man van leed / aan een illusie heb je genoeg / om weer moed te vatten'(uit 'Bedevaart').

Die spanning tussen huivering en schoonheid, tussen het faustische en het fatalistische blijkt met name wanneer je een inventaris maakt van de woorden die veel voorkomen in L'Allegria. Aan de ene kant woorden die een ode aan het leven brengen (dageraad, zon, zee, licht), en aan de andere kant woorden die het leven uitwissen, bedelven (mist, duisternis, nacht, verdwijnen). En dan zijn er nog voorbeelden waarbij leven en dood, daadkracht en berusting elkaar kruisen en bevleugelen, zoals in de regels 'en mijn leven me vóórkomt / als een bloemkroon / van duisternissen' of in het gedicht 'Heelal': 'Met de zee / heb ik me / een baar van koelte / gemaakt'. Het heelal ('Nu ben ik dronken / van heelal') dat bescherming biedt in zijn onmetelijkheid, de natuur die een vluchthaven is ('Balustrade van bries / om vanavond mijn weemoed / te laten leunen'): Leopardi, een van de boegbeelden van de Italiaanse lyriek, is niet ver weg. En inderdaad, de beelden die Ungaretti gebruikt zijn klassiek van aard en soms zelfs wel wat sleets, vooral wanneer hij het woordje 'hart' plundert: 'teloorgegane hart', 'gekwelde hart', 'Het is mijn hart / het meest verscheurde land'. Maar door de onconventionele prosodie en hun ongepolijste bedding krijgen die beelden vaak een fonkelende zeggingskracht.

De revolte tegen de traditionele poëzie, zoals die in L'Allegria werd vertolkt, maakt in Ungaretti's tweede bundel Sentimento del Tempo (1933; Gevoel van de Tijd) plaats voor een terugkeer naar een meer regelmatige metriek en een voornamer en weelderiger vocabulaire. Het devies is nu: niet stamelen maar zingen, geen eenvoudige vrije verzen doorwoekerd met kiemkrachtige woorden, maar syntactisch meer vloeiende, elflettergrepige verzen, waarin maat en interpunctie een belangrijke rol spelen. Gebleven zijn het gebruik van metaforen, analogieën en synesthesie, de techniek van de pauzen en (daardoor) de met meervoudige betekenis geladen woorden. In thematisch opzicht is het keurslijf juist losser geworden: de feilbaarheid van de mens krijgt een meer mythische en zelfs religieuze dimensie, het autobiografische element wordt vervangen door universele emblemen, waarbij de spanning tussen het eeuwige en het vergankelijke domineert. Om niet in troebelheid te vervallen een voorbeeld, het gedicht 'Echo': 'Dageraad, feestelijke liefde, barrevoets / Van de maanzanden overgekomen, met een echo / Bevolk je het heelal in ballingschap en je laat / In het vlees van de dagen, / Eeuwigdurend spoor, een versluierde wond achter.'

Van Sentimento del Tempo heeft Cantore slechts vijf gedichten opgenomen en vertaald. Van de volgende bundel, Il Dolore (1937; De Smart), zijn het er nog maar twee, hoewel het gedicht 'Giorno per giorno' maar liefst zeventien strofen telt. Jammer is dat Cantore zich niet heeft gewaagd aan het fraaie en suggestieve 'Tu ti spezzasti', dat net als 'Giorno per giorno' is gewijd aan de dood van Ungaretti's zoontje. Zeker, Il Dolore en Sentimento del Tempo zijn bundels die minder hebben bijgedragen aan de adel van Ungaretti's dichterschap, maar daarnaast bevatten ze ook gedichten die vanwege hun verbositeit en hoge graad van complexiteit een vertaler voor veel meer problemen stelt dan Ungaretti's debuut, met zijn eenvoudige, concies weergegeven verzen. Het valt bovendien op dat de vertaler voor helderheid, voor verstaanbaarheid kiest. Waar Ungaretti een voorkeur heeft voor het verdraaien van de syntaxis en een ongebruikelijke zinsvolgorde, daar laat Cantore je meestal niet lang zoeken naar het werkwoord en bijbehorende onderwerp. Hij munt niet uit in fantasierijke oplossingen, misschien vanwege een surplus aan eerbied voor de maestro. Slechts zelden veroorlooft hij zich een dichterlijke vrijheid door bijvoorbeeld een ongewenste maar daarom niet minder mooie allitteratie ('donkerder dauwt' voor 'si brinerà  di moro') te gebruiken of een geslaagd neologisme te introduceren ('wenteltrechter' voor 'imbuto di chiocciola').

Maar de grootste verdienste van de vertaler ligt toch in het feit dat hij met deze voorbeeldig uitgegeven bundel Ungaretti ook in Nederland op de kaart heeft gezet. Zodat de dichternomade eindelijk ook bij ons kan thuiskomen.